Auteur Pim van der Ven - Architect-eigenaar Mei architecten en stedenbouwers | 875x gelezen | 0 reacties

Laatst volgde ik een masterclass gebiedsontwikkeling. Ik was wat laat en viel middenin de eerste presentatie. Veel van mijn buren waren schetsjes aan het maken (er zaten echte kunstwerken tussen) in plaats van aantekeningen, en keken een beetje verveeld bij het uitstekende verhaal over de procedures rondom gebiedsontwikkeling. Na de pauze veerde iedereen gelukkig energiek op bij een verhaal over een gebiedsontwikkelingsplan in Maarssen, vol plaatjes: de vragen vlogen me om de oren tijdens het verhaal, waarbij een mopperende en verongelijkte ondertoon doorklonk over de positie binnen hun vakgebied.

U begrijpt: ik was bij een masterclass voor architecten en ik ben bang dat in deze sfeerschets oorzaak en gevolg verwoord zijn.


Contouren
Peter van Rooy sprak over de procedurele contouren van gebiedsontwikkeling. In een  boeiende verhandeling confronteerde hij ons met een aantal fascinerende feiten.

Hij liet zien dat in ons land de lokale belastingen slechts 4% van het inkomen van  gemeenten vormen. In overige EG landen is dat 20 tot 30 %. Het effect van dit fiscaal beleid  is dat in Nederland de grondopbrengsten de belangrijkste gemeentelijke bron van inkomsten zijn. Gemeenten willen daardoor wel uitbreidingen omdat deze snel geld opleveren maar geen geldverslindende inbreidingen. Peter noemde deze situatie 'pervers'.

Vervolgens ging hij in op de RO-procedures in Denemarken en Duitsland waar de overheid een continu en consistent beleid voert en uitsluitend een controlerende rol heeft. In Nederland is het RO-beleid gepolitiseerd en daardoor vaak wisselend. Bovendien heeft de overheid hier ook een uitvoerende rol. Een vergelijking met Denemarken en Duitsland leert dat een consequent beleid en een beperking tot het stellen van kaders gecombineerd met controle veel makkelijker complexe gebiedsontwikkeling mogelijk maakt dan het gepolitiseerde RO beleid gecombineerd met een uitvoerende overheidstaak in Nederland.

Deze voorbeelden geven aan hoezeer procedures van invloed zijn op architectuur en gebiedsontwikkeling. Van oudsher vinden architecten dit soort procedures niet zo interessant (standaardreactie: Je kan er toch niets aan doen.). Door kennis over procedures te vergaren kun je volgens mij er juist proactief gebruik van maken.

Tussendoor vertelde Van Rooy dat na WO2 de ministeries voor wonen (VROM) en werken (EZ) hun beleid strikt gescheiden hebben waardoor deze functies ook in steden van elkaar werden gescheiden. En wij architecten maar denken dat de CIAM dit had bewerkstelligd!

Hij ging daarna in op de mogelijkheden en gevaren bij het proces van gebiedsontwikkeling. Hij maakte duidelijk dat het noodzakelijk is om over bestuurlijke en sectorale grenzen heen te gaan:  In de EG is er volgens hem geen land met zo’n hoge adviesbureau-dichtheid als Nederland, 'gestapelde rapporten' zijn verlammend, joint fact finding is een veel betere methode. Een andere bedreiging is dat veel projectteams na jaren bakkeleien geneigd zijn genoegen te nemen met compromissen in plaats van te blíjven streven naar de beste oplossing. Het grootste gevaar echter is de verschuiving in de laatste decennia van een high-trust-samenleving naar een low-trust-samenleving. Deze houding werkt in complexe gebiedsontwikkelingsprocessen uiteraard zeer nadelig.

Hier tegenover stelde hij modelprocessen waarbij de overheid kaders bepaalt, controleert en op een professionele manier faciliteert waarna ontwikkelaars of corporaties op een maatschappelijk verantwoorde wijze ondernemen en het publiek kan participeren en haar verantwoordelijkheid neemt. Als format hiervoor werd het gebiedsconcessiemodel besproken. Helaas blijkt echter dat de overheid in de praktijk vaak verder gaat dan het aangeven van kaders. Het lijkt een Nederlandse traditie dat zij ook uitvoerend actief wil zijn. Ook stellen marktpartijen uiteindelijk vaak winstmaximalisatie boven maatschappelijk ondernemen en plaatst het publiek vaak het eigen belang boven algemeen belang. Treurig maar waar: een ideale basis voor een low-trust-houding.

Wat zou het mooi zijn als wij, architecten, een positieve rol kunnen spelen in de terugkeer  van een low-trust naar een high-trust-samenwerking. Maar een architect die zo’n positieve rol wil spelen moet zichzelf wel leren beheersen. Hij moet durven te beginnen met een 'stip aan de horizon' zoals  Riek Bakker dat noemde: 'een wenkend perspectief'. Die architect moet niet beginnen met een “oplossing” maar met een sterk ruimtelijk concept met veel mogelijkheden voor voortschrijdend inzicht. De ontwerper als plan-master zoals Gerben van Straten van WTM het noemt in plaats van  masterplanner.

Dus: onzekerheden accepteren  als ontwerper, en dat is niet gemakkelijk.

De architect kan dit sterke concept gebruiken om verbindingen te leggen tussen de agenda’s van alle betrokken partijen, van stakeholders tot gebruikers. De architect dient zich dan wel sterk te verdiepen in die agenda’s, en ze te respecteren, pas dan kan er proactief mee gewerkt worden. Het ontwerp wordt een beetje van alle projectpartners,  wat uiteindelijk de voortgang van het proces alleen maar ten goede komt. Ook zal de architect heel vroeg kennis moeten verwerken over bouwen, gebruik, beheer en exploitatie in zijn concept. Zo voorkomt hij dat in een latere fase veel mooie ideeën niet haalbaar blijken en wordt het een robuust plan. De gebruikers niet als verstoorders van het architectenfeest, maar als veroorzakers van 'een proces van permanente verrijking' zoals Peter van Rooy dat zo mooi omschreef.

Om het geheel nog complexer te maken zal de architect ook actief moeten (mee)werken aan communitybuilding, branding, fasering en het benutten van tijdelijke situaties.

Om dit allemaal te kunnen doen moet de architect sterk betrokken en vooral geduldig zijn want het zijn langlopende processen: snel scoren is er niet bij. In onze projecten de Schiecentrale te Rotterdam en het LOC in Hardenberg hebben wij met deze houding zeer overtuigende resultaten bereikt. Nu de gebouwen in gebruik zijn blijkt dat hoe waardevol het open ontwerptraject is geweest en is er nu een proces van “permanente verrijking” op gang gekomen.

Maarssen en Nijmegen
In de masterclass werden hierna twee projecten gepresenteerd: Op Buuren in Maarssen door Albert de Vos en Waalfront in Nijmegen door Lodewijk Baljon.

Het project in Maarssen is een herontwikkeling van een oud fabrieksterrein langs de Vecht tot een woonwijk. Gebaseerd op de karakteristieken van de dorpen en landgoederen aan de Vecht is een plan ontwikkeld dat veel weg had van een eindoplossing in plaats van een zich langzaam  ontvouwend proces. De architecten lijken gekozen vanwege hun (commerciële) ontwerpstijl, niet om hun vermogen een bijzondere bijdrage te leveren aan een complex proces. Wat ik overigens een heel goed initiatief vond was de 'architectenbeurs' waar de deelnemende architecten hun details kunnen uitwisselen. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid een efficiënt tekenproces met de vaak gewenste uniformiteit van uitwerking zonder dat een tekenbureau het werk afmaakt na het VO of DO. Gesteld natuurlijk dat de architecten hun tekenwerk goed op orde hebben, maar dat is meestal wel het geval.

Het plan de Waalfront in Nijmegen is een herontwikkeling van een fors industrieterrein langs de Waal. Het is bijzonder dat een landschapsarchitect zo’n complex gebied ontwerpt, overigens in nauwe samenwerking met Liesbeth van der Pol.

In dit plan is met veel zorg gekeken naar de procesgang. Het gemeentebestuur van Nijmegen gaf een aantal duidelijke kaders: 40% sociale woningen, gevarieerde woonmilieu’s, goede ontsluiting en openbare kades. Het bestuur had een stevig draagvlak bij de raad wat consistentie van genomen beslissingen gaf. Aansluitend startten Baljon en Van der Pol met ontwerpateliers op locatie, waar ook aan het eind van de middag belangstellenden welkom waren. Dit heeft onder andere geleid tot een meedenktank die in meerdere sessies hebben meegedacht met de ontwerpers. Ook de pers werd regelmatig bij het proces betrokken waardoor die het plan een beetje als hun plan waren gaan zien: 'embedded journalism' noemen de Amerikanen dat. Heel slim. Doordat RABO Vastgoed als ontwikkelaar aan het team werd toegevoegd bleef er flink de vaart in het proces, wat ook altijd moet gebeuren. Peter van Rooy gaf al aan dat  deze 'bottom up' aanpak met zijn heldere bestuurlijke kaders veel sneller werkte dan  gelijktijdig gestarte top-down projecten in Arnhem.

Uitdaging
Met elkaar gaven de projecten een mooi breed beeld van het verloop van gebiedsontwikkelingen op dit moment: van het meer sturen op een eindoplossing tot een opener proces. Ik denk dat het laatste ons als architecten veel beter de mogelijkheid biedt om als liaison tussen partijen een goede rol te spelen in een high-trust proces. Zeker wanneer we de kennis van procedures hierbij kunnen betrekken.

Door zich te richten op het gebruik en niet op de vorm, door alle agenda’s van de betrokken partijen te kennen, te snappen en te respecteren, niet direct een oplossing te ontwerpen maar door een wenkend perspectief te creëren geeft de ontwerper alle partijen de gelegenheid in het proces mee te groeien, het zich eigen te maken en er met elkaar trots op te worden. Deze open ontwerphouding geeft waarschijnlijk meer kans op een high-trust proces dan de traditioneel meer defensieve houding van ontwerpers. Het moeilijke is natuurlijk om in dit interactieve en open proces een sterk concept samen met alle betrokkenen uit te laten groeien tot een spraakmakend ontwerp met een eigen identiteit en met een duurzaam gebruik. Hierin ligt de echte uitdaging van ontwerpers in gebiedsontwikkelingen. En natuurlijk in het maken van aantekeningen bij verhalen over procedures.

Deelnemer aan de BNA Masterclass Architect en gebiedsontwikkeling, georganiseerd door de Bond van Nederlandse Architecten

Pim van der Ven
Architect-eigenaar Mei architecten en stedenbouwers

Naam
E-mail
Homepage
Bericht